Een essay van Anahid Ariya over Prins Reza Pahlavi, de politiek van nationale solidariteit en de opgave het burgerlijk vertrouwen in Iran na de Islamitische Republiek te herstellen.
Door Anahid Ariya
Een groot deel van de politieke crises in de wereld komt niet voort uit het bestaan van meningsverschillen op zich, maar uit het onvermogen van regeringen en politieke stromingen om met die meningsverschillen om te gaan. Telkens wanneer politiek is verworden tot een arena van uitsluiting en verdeeldheid, is de samenleving geleidelijk in een spiraal van uitputting, wantrouwen en diepe scheuren terechtgekomen. Daartegenover staan de samenlevingen die hun stabiliteit en historische continuïteit hebben weten te bewaren, juist doordat zij in staat waren om intellectuele en sociale verscheidenheid om te smeden tot een vorm van nationale orde.(1)
Iran onder het bewind van de Islamitische Republiek vormt op deze regel geen uitzondering. Het kernprobleem van het hedendaagse Iran is niet louter een verschil van politieke inzichten; het is de crisis van een verloren nationaal vertrouwen en de verbreding van breuklijnen die de Islamitische Republiek gedurende decennia stelselmatig heeft gereproduceerd.(2)
Iran is een van de weinige historische beschavingen ter wereld die, ondanks haar talige, etnische, culturele en intellectuele diversiteit, erin is geslaagd haar politieke en identitaire continuïteit duizenden jaren lang in stand te houden. Deze continuïteit is niet het product van gelijkschakeling geweest; zij is eerder het resultaat van een historisch besef van “Iran” als het gemeenschappelijke huis van alle Iraniërs.(3)
De Islamitische Republiek heeft daarentegen haar voortbestaan gedurende meer dan vier decennia gebouwd op een politiek van uitsluiting en verdeeldheid — van politieke en ideologische tweedelingen tot het bewust creëren van breuken tussen generaties, etnische groepen en zelfs tussen de tegenstanders van het regime onderling. Want regeringen die zich verwijderen van hun maatschappelijke legitimiteit, gaan nationale cohesie als een bedreiging voor hun eigen voortbestaan zien. Het resultaat van een dergelijke benadering is een samenleving geworden waarin een groot deel van de energie niet wordt besteed aan het bouwen van een toekomst, maar aan wederzijds wantrouwen.(4)
In een dergelijk klimaat krijgt iedere figuur die in staat is het begrip “nationale solidariteit” opnieuw tot leven te wekken, in feite een rol die ver uitstijgt boven die van een louter politieke actor.
In de politieke filosofie ontleent een leider zijn legitimiteit noch aan uitvoerende macht alleen, noch aan zuivere publieke populariteit; zij komt veeleer voort uit zijn vermogen om een “gemeenschappelijke politieke ruimte” te scheppen. Denkers als Hannah Arendt beschouwden politiek niet als een veld van uitsluiting, maar als het toneel van de gelijktijdige aanwezigheid van verschillen. Vanuit dit perspectief krijgt leiderschap pas betekenis wanneer het in staat is om tegenstellingen — in plaats van ze te bestendigen als permanente oorlogvoering — om te zetten in democratische competitie.(5)
Een van de opmerkelijke aspecten van Prins Reza Pahlavi is juist dit verstaan van politiek. In de loop der jaren heeft hij ernaar gestreefd zijn legitimiteit niet te gronden op het uitschakelen van zijn tegenstanders, maar op het aanvaarden van het beginsel van de vrije keuze van het volk. Wellicht de meest sprekende uitdrukking van deze houding is de zin die hij eenendertig jaar geleden in een interview uitsprak:
“Ik strijd opdat jij jezelf op een dag het recht zult toekennen om tegen mij te stemmen.”(6)
Dit was niet slechts een politieke leuze; het was de formulering van een democratisch verstaan van macht. In veel samenlevingen strijden politici om macht te verwerven, maar het onderscheid hier is dit: een democratisch leider beschouwt zijn eigen legitimiteit als afhankelijk van het keuzerecht van het volk — zelfs wanneer die keuze tegen hemzelf wordt uitgebracht. Die houding is al sinds de eerste jaren van Reza Pahlavi’s publieke optreden zichtbaar.
Een belangrijk deel van de kritiek die op de Prins wordt geuit — zelfs vanuit een deel van zijn eigen aanhang — betreft zijn samenwerking met een breed spectrum aan politieke stromingen. Sommigen menen dat deze mate van flexibiliteit soms legitimiteit verleent aan groepen die, in heden of verleden, op aanzienlijke ideologische afstand stonden van de monarchistische stroming. Deze kritiek is begrijpelijk, in het bijzonder voor dat deel van zijn achterban dat een diepe emotionele en historische verbondenheid voelt met het Pahlavi-tijdperk en de instelling van de monarchie.
Aan de andere kant van de balans staat echter een veel grotere kwestie: het besturen van een Iran ná de Islamitische Republiek is geen project van één partij; het is het project van het herbouwen van een natie. Gedurende deze jaren heeft de Prins willen aantonen dat nationaal leiderschap niet noodzakelijkerwijs betekent dat men volledig de politieke voorkeuren van zijn aanhang weerspiegelt; het betekent veeleer het tot stand brengen van een minimum aan convergentie dat volstaat om door een historische crisis heen te komen.(7)
Het cruciale punt is dat hij, in tegenstelling tot veel andere politieke stromingen, slechts een handvol grondbeginselen heeft afgebakend als grenzen van samenwerking: het behoud van de territoriale integriteit van Iran, secularisme, een verbintenis met de democratie en het overlaten van de keuze van de staatsvorm aan het volk zelf, na de val van de Islamitische Republiek. Deze vier beginselen vormen in wezen een kader om het nationale belang te waarborgen en de reproductie van tirannie in de toekomst te voorkomen — geen instrument om uiteenlopende politieke gevoeligheden uit te sluiten.(8)
Op dezelfde grond geldt: wanneer bepaalde stromingen of personen zich op zeker moment van deze samenwerking hebben gedistantieerd, is dat niet noodzakelijkerwijs het gevolg geweest van uitsluiting; in veel gevallen kwam het voort uit een botsing tussen hun zienswijze en juist deze grondbeginselen. Want zodra een politiek project de territoriale integriteit van Iran, het secularisme of het recht van het volk op vrije keuze niet aanvaardt, wordt de mogelijkheid van een gedeeld nationaal verbond feitelijk uitgesloten.
Tegelijkertijd is deze benadering voor Prins Reza Pahlavi zelf niet zonder politieke prijs gebleven. Een deel van zijn aanhangers is bij vlagen ontmoedigd geraakt door deze mate van bereidheid tot samenwerking en door zijn inspanningen om brede coalities te smeden, en heeft scherpere standpunten of strakkere afbakeningen verwacht. Het lijkt er echter op dat hij bewust een onderscheid heeft willen maken tussen “het leiden van een stroming” en “het leiden van een natie” — een onderscheid dat in de geschiedenis van de politiek altijd tot de moeilijkste proeven van macht heeft behoord.
Wellicht is dezelfde zienswijze ook te herkennen in een andere zin uit dat oude interview, waar hij zegt:
“Indien wij twee verschillende opvattingen koesteren, willen wij beiden dan niet morgen in dat land blijven leven? Is het land soms te krap voor ons beiden om er een plaats om te leven te vinden? Er is plaats voor iedereen.”(6)
Dit is niet louter een oproep tot verdraagzaamheid; het is de formulering van een historisch verstaan van Iran — een land dat duizenden jaren, ondanks de verschillen in talen, culturen en gedachten, stand heeft gehouden, en dat steeds wanneer het erin slaagde tussen deze verschillen een evenwicht te vinden, tot stabiliteit en bloei is gekomen.(3)
De kernkwestie van Iran is vandaag niet enkel hoe men voorbij de Islamitische Republiek komt; het is hoe men voorbij een cultuur komt die decennialang, onder invloed van de destructieve politiek van de Islamitische Republiek, is gebouwd op wantrouwen, uitsluiting en verdeeldheid. De wederopbouw van een toekomstig Iran vereist, vóór alles, de wederopbouw van het begrip “natie” — een natie die, ondanks diepe meningsverschillen, opnieuw in de mogelijkheid van een gedeeld bestaan kan geloven.(1)
Wellicht is dit ook de reden waarom zijn plaats voor velen onder de aanhangers van de Prins en de liefhebbers van het Pahlavi-tijdperk niet beperkt blijft tot een louter politieke voorkeur. Voor hen belichaamt hij een bepaalde manier van kijken naar Iran — een manier die stabiliteit, ontwikkeling, historische continuïteit en het nationale belang verkiest boven ideologische woelingen en sektarisme.
Uiteindelijk beoordeelt de geschiedenis leiders doorgaans niet enkel naar het aantal van hun aanhangers, maar naar hun vermogen om naties door momenten van ineenstorting heen te loodsen. En wellicht is dit ook de meest beslissende proef van leiderschap in het hedendaagse Iran: wie kan, in een door verdeeldheid getekend land, het volk opnieuw herinneren aan de mogelijkheid van samenleven.
Bronnen
- Hannah Arendt, The Human Condition, University of Chicago Press, 1958.
- Francis Fukuyama, Trust: The Social Virtues and the Creation of Prosperity, Free Press, 1995.
- Richard N. Frye, The Heritage of Persia, Mazda Publishers, 2004.
- Ervand Abrahamian, A History of Modern Iran, Cambridge University Press, 2008.
- Hannah Arendt, Between Past and Future, Penguin Books, 1961.
- Interview van Prins Reza Pahlavi met Nader Rafi’i, Omid-e Iran Televisie, jaren negentig. youtu.be/qqHIB-EcyZw
- Juan J. Linz & Alfred Stepan, Problems of Democratic Transition and Consolidation, Johns Hopkins University Press, 1996.
- Officiële verklaringen en interviews van Prins Reza Pahlavi over secularisme, territoriale integriteit en democratie; gepubliceerd op zijn officiële kanalen. [x.com/pahlavireza](https://x.com/pahlavireza/status/194011